Elke aanval is een schreeuw om hulp, zegt men. Maar het is moeilijk voor te stellen dat Mohammed B., die de weerzinwekkende moord op Theo van Gogh pleegde, om hulp schreeuwde. Zijn daad leek eerder een oorlogsverklaring aan onze rechtstaat.
En toch… Als je zijn levensverhaal in de krant leest, knaagt er iets. Hij was een geboren en getogen Nederlander, die in een recent verleden nog heel actief in het buurtwerk was. Dan, na de dood van zijn moeder, radicaliseert hij, omdat hij ‘teleurgesteld raakt in onze maatschappij’. Er gaat een knop om.
Waarom? Waarom verdwalen steeds meer mensen in onze samenleving? En waarom is er niemand die ze terugvindt voor ze ons haten?
Iets van een antwoord op deze vragen hoorde ik deze week van mijn Franse collega. Zij zei: “De Nederlandse tolerantie houdt gewoon in: bemoei je niet met een ander, laat hem met rust.” Ik ben bang dat ze gelijk heeft. We roepen na elk tragisch incident met fundamentalisten om een dialoog, maar wie neemt ooit het initiatief?
In Lucas 6 roept Jezus ons op onze vijanden lief te hebben. De zonde begint tenslotte niet met de daad, maar met een gedachte en een wens. Juist daar moet ze ook al worden tegengegaan en dat kan alleen door daadwerkelijk naar elkaar te luisteren.
Mooie woorden, maar dan de praktijk. Er staat een moskee vlak naast onze kerk. Moeten we daar Samen-op-Weg diensten mee organiseren? Hoe vaak voer jij eigenlijk een goed gesprek met een moslim in jouw buurt?
Dat de Heilige Oorlog is overgewaaid naar Nederland maakt het antwoord op deze vragen urgenter dan ooit. Ik ben dan ook benieuwd naar jullie antwoord op de vraag: hoe handelen we uit Liefde in de strijd tegen terrorisme?